maandag 14 juli 2014

The Legend Of The Robinia

Dit verhaal moest ik als opdracht voor school schrijven. Ik heb alles zelf bedacht, alleen het idee van een weerkat heb ik van Wikipedia gehaald. De Robinia is trouwens een boom, ik moest dit voor houtbewerking maken.

“Het is alweer een hele tijd geleden gebeurd hoor.” Zei de man tegen zijn kleinzoon. “Maakt niet uit Opa. Vertel het verhaal alsjeblieft!” Smeekte het amper 8 jaar oude jongetje. “Goed, goed. Maar onthoud, de verhaaltjes die ik je vertel zijn niet zomaar verzonnen. Ze zijn ooit echt gebeurd. ” Zijn kleinzoon knikte ongeduldig en ging voor de schommelstoel op de grond zitten.
 
Al een hele tijd geleden - zo rond het jaar 600 - was de grens van de Dromenwereld veel dunner dan die van nu. De grens was echter niet zomaar een muurtje, of een lijn op de kaart, het was er gewoon. Trollen konden zo die grens oversteken om bier te stelen van de mensen, en feetjes konden makkelijk streken uithalen. Dat ging echter niet zo goed samen. De mensen gingen elkaar verdenken van diefstal en magie, waardoor ze elkaar verbrandden. Daarom besloot de regering - die toen nog maar uit één persoon bestond – om de grenzen te verdikken. Dat ging echter niet zo makkelijk als je zou denken. Er was niet iets als een knopje wat je moest indrukken, of een toverspreuk. Je moest naar het diepst van de aarde reizen, naar de wereldboom. Niemand wist echter zeker óf deze wel bestond, want de beproevingen die je naar de Robinia zouden leiden klonken onmogelijk. De ‘regering’ besloot dan ook om niet zelf te gaan, maar hun dapperste ridders te sturen.

 Dat was een erg apart drietal, een Centaur genaamd Brion, een Dwerg met de naam Jart en een Weerkat, deze hete Chatu. De ridders kenden elkaar totaal niet toen ze elkaar voor het eerst ontmoette, het was dan ook een erg ongemakkelijk begin.
“Dus.. Jij bent een Weerwolf?” Probeerde de Paardman een gesprek te beginnen.
“Nee, een Weerkat.” Snauwde Chatu kortaf, wie deze vraag al duizend keer te horen had gekregen. Daarom zocht hij dan ook vaak zijn toevlucht tot het bos, waar hij rustig zijn gang kon gaan. Zijn kattenoren, die tussen zijn lichtbruine, krullende bos haar uitstaken, lagen plat op zijn hoofd. Ook de staart leek dikker, en aangezien hij voor de helft een kat was liet de rest hem met rust. Zo ging het een groot deel van de reis, alleen de Dwerg had nog niks gezegd toen de zon al onder begon te gaan.
“Auw, kijk uit!” Jart werd bijna geschopt door Brion, die hem nog niet eens had opgemerkt. De kleine man reageerde daar erg heftig op en trok zijn twee messen.
“Rustig joh, ik had je nog niet eens gezien.” Probeerde hij zijn reisgenoot tot rust te brengen. Deze werd daar echter nog bozer om en liep dreigend op hem af.
“Luister eens goed, ik neem nét zo goed deel aan deze queeste als júllie,” Een afkeurende blik stond op zijn gezicht toen hij dat laatste woord zei.
“Als jou smerige hoeven nog één keer in mijn buurt komen, hak ik ze af.” Siste hij, terwijl de Dwerg zich groot probeerde te maken.
Ondertussen had Chatu al een kampvuur opgezet, hij gaapte uitgebreid terwijl hij achteruit leunde tegen de boomstronk en een konijn in het vuur roosterde. Het bloed stroomde nog uit de strot, maar dat leek de Weerkat niets te deren. Walgend staarden Brion en Jart naar het avondmaal, ze waren het er over eens dat ze vanavond geen maaltijd hoefden.

Na een paar weken kwamen ze aan bij een Riviertje, wat op zich niet zo bijzonder is, maar hier zouden ze kamperen. Meestal deden ze dat niet, omdat de Kelpies dan boos konden worden. Nu had het stel echter zo’n dorst dat ze alles opslurpte, om vervolgens in slaap te vallen. Ze waren zo uitgeput van de reis dat zede schaduw in het water niet opmerkten.

De volgende ochtend werd Jart schreeuwend wakker. Een beeldschone dame stond nieuwsgierig over hem heen gebogen. Ze dook echter het water in toen hij wakker werd. “KOM TEVOORSCHIJN LAFAARD!” Schreeuwde hij woedend. “WAT HEEFT GIJ GEDAAN” Chatu zuchtte geïrriteerd, pakte de dwerg op, en gooide hem het water in, waarop er een apart gegiechel uit het water kwam. “Wat doet een beeldschone dame als u hier?” Gooide hij zijn charmes in de strijd. Het leek te werken, want een paar ogen gluurden stiekem naar hem. “Ik ben niet beeldschoon. Alle andere Nimfen zeggen dat ik lelijk ben.” Even hapte Chatu naar adem, want als dit een mooie Nimf was geweest waren ze allemaal in het water gesprongen en verdronken. “Ik vind je anders prachtig.” Het hoofd dat boven water was gekomen werd rood. “Oh, eehm.. Dankje.” Stamelde ze verlegen.
Chatu glimlachte afwezig, zijn plan leek te werken. De Nimf leek dit echter anders op te pakken. De jonge vrouw dacht dat het voor haar bedoeld was en liep nu het land op. Ze keek achterom en een golf ontstond in het riviertje. De golf bracht Jart met zich mee. Vloekend schreeuwde hij dat ze verder moesten gaan, wat ze vervolgens ook deden.

Het duurde niet lang voor ze de volgende persoon tegen kwamen, een groot, lomp wezen in een viesgroene kleur. Het was duidelijk een trol. Deze was iets aan het brommen, later zouden ze ondekken dat het wezen probeerde te zingen. Het was immers een vrouwtjestrol, en die waren over het algemeen vrolijker dan de mannetjes. Brion snoof afkeurend en Chatu liet een zacht gesis horen, waardoor de trol omkeek. Glazig staarde ze de drie reizigers aan. “Hallo.” Vroeg deze verbaasd. “Wie zijn jullie?” Ze plofte neer en bekeek haar gezelschap neer. “Ik ben Fran.” Zei ze, terwijl ze met haar duim op haar borst prikte. Chatu zag er de lol wel van in. “Ik ben Chatu, de koning, en dit zijn Brion en.. Jart. Mijn dienaren” Meteen reageerde de anderen luid protesterend. “Ssst, dat vind de koning niet leuk!” Zei Fran, waarop de Weerkat goedkeurend knikte. Zo beantwoordden ze wel langer vragen van de steeds enthousiaster wordende trol. Op een gegeven moment kwam dan ook de vraag wát ze deden. “Wij zijn op een Queeste.” Een lichte, trotse toon klonk door in zijn stem. “Wat voor Queeste? Mag ik mee?”
“Ik denk niet dat dat goed is, we gaan er heen zodat ik koning kan worden, en dat moet met heel weinig mensen gebeuren.” Verzon Brion snel zijn verhaal.
“Maar hoe wordt jij dan Koning?” Fran gaapte hem met open mond aan.
“Als je de top van de Wereldboom bereikt krijg je leiding over heel de Droomwereld.” Klonk een vrouwelijke stem van achter ze. Een jonge vrouw kwam achter een boom vandaan, en deze hadden ze al eerder gezien. Het was de Riviernimf.
“BEN JE ONS GEVÓLGD!?” Krijste Jart. De Nimf leek te schrikken, en trok zich terug. “Waarom?” Vroeg Chatu.
“Jullie waren zo aardig tegen me, en ik.. Ik dacht dat jullie misschien hulp nodig hadden.”
“Pff, hulp? Wij kunnen best zonder zo’n grietje.” Schepte Jart tegen Chatu op, wie knikte. Brion staarde het meisje ontzet aan. “Meisje – hoe je ook heet - , ga terug naar je Rivier. Hij heeft je nodig.”
“Ik heet Caressa en mijn Rivier kan best eventjes zonder mij.” Kreeg hij als antwoord.
“Elfje” Klonk plots een zware stem. “Elfje, kom, spelen!” Fran kroop op Caressa af, wie walgend terug keek. “Laat me met rust jij smerig beest!” De trol kwam tot stilstand. De tranen stroomden over haar wangen. “Waarom zijn jullie zo gemééén.” Hikte ze. Als gealarmeerd kwam de rest van de troep Trollen aanstampen, het duurde niet lang of ze waren omsingeld. Jart greep naar zijn messen, Chatu veranderde in zijn kattenvorm en Brion pakte zijn boog. “Ga achter ons staan.” Beval Jart, hij keek niet om, in de verwachting dat ze zijn raad op zou volgen. Tegelijk stortte de drie zich op de meute. Het ging echter veel te langzaam. In de tijd dat één Trol was vermoord waren ze al veel dichterbij gekomen. Een schelle mauw en een krak klonk toen Chatu tegen een boom werd gegooid, zodra hij de grond raakte veranderde hij terug in zijn menselijke gedaante. Er zat een diepe snee in zijn voorhoofd en hij had blauwe plekken over zijn hele lichaam. En bij de rest ging het niet veel beter. Jart werd constant op het nippertje geplet en de paardenman had al zijn pijlen gebruikt. Het was hooploos, ze zouden sterven.
Plots kwam er een stevige rukwind opzetten, deze was hun redding. De trollen keken ineens bang naar de hemel, waarschijnlijk bijgeloof. Daardoor waren ze afgeleid en kon de rest tijd winnen, maar ze waren uitgeput. Vluchten was de enige oplossing.
Toen Brion uit het beeld probeerde te sluipen merkte een trol hem op. “Er ontsnapt er eentje!” Brulde hij, en meteen waren alle slijmkoppen op hem gericht. “Aan de kant!” Gilde ineens een veel hogere stem. Brion kon nog net weg galopperen voor een vloedgolf die alles met zich meesleurde kwam opzetten. Als sneeuw voor de zon verdwenen alle Trollen, het enige wat achterbleef was de Riviernimf, die nog nahijgde van de inspanning. Vanaf dat moment voegde ook zij zich bij het gezelschap. Maar haar Rivier had van deze aanval een hoop water verloren, en nu deze ook nog onbeschermd was werd dit aangetrokken door dorstige kampeerders. Het zou niet lang duren voor de hele Rivier droog zou staan.

Na een tijd lopen ontdekten ze dat ze werden gevolgd door Fran. Ze deed dan ook niet veel moeite om haar aanwezigheid te verbergen. Dag en nacht reisden ze door, met een enorme voorsprong als resultaat. Ze besloten dat ook te pauzeren met de nacht van volle maan, zodat Chatu rustig zijn dierlijke instincten los kon laten.

Nadat ze een maand hadden gerezen bereikten ze de ingang, daar leek het tenminste behoorlijk op. Het was een grot die helemaal bedekt was met takken, aan de takken hingen witte bloemen die omringd werden door een blauwige gloed. Dit was duidelijk de grot van de Wereldboom. Niet veel mensen hadden de eer en kracht hier te komen om dit te aanschouwen, dus namen ze ook rustig de tijd. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, want het duurde niet lang voor Fran aan kwam sjokken met haar leger. Snel glipten ze naar binnen, maar ze waren al gezien. “Daar zijn ze!” De groep kwam in actie, en de boom was ook al te zien. Als het ze nu niet lukte zou deze hele reis voor niets zijn geweest, en dan zou dat smerige uitschot koningin worden. Een schel gehinnik klonk toen Brion vast werd gegrepen, de rest liep echter door. Dat hadden ze samen afgesproken, als er iemand zou sterven moesten ze door gaan. 

“Nee! Hou haar tegen!” Gilde Caressa. Fran de Trol was inmiddels al bij de boom aangekomen en begon aan haar klim. Chatu en Brion werden echter tegengehouden door Fran’s legertje, en Jart was te klein om er in te klimmen. Het kwam allemaal op Caressa aan.
Zo snel ze kon rende de Nimf op de boom af, maar Fran was met haar dikke gat al op de eerste tak gekomen. De bloemen van de Robinia, die eerst een blauwige gloed hadden, werden nu viesgroen, en de heerlijke geur veranderde vaag in die van rotte vis. “Ik word koningin!” Riep ze enthousiast.
Als Fran de top zou bereiken zou ze koningin worden , maar dan zouden de grenzen van de Dromenwereld ook dikker worden. Té dik. Er zou bijna niemand door kunnen, en dan zou de mensheid ze langzaam vergeten.
Dat was precies wat er gebeurde. Fran bereikte de top eerder dan Caressa, wie bijna flauwviel van het watertekort. Brion lag dood te bloeden op de grond en Chatu was verdwenen, net als Jart. In paniek keek de Nimf rond, en ineens zag ze de Dwerg. Hij zat op zijn kniën onder de boom, hij.. Hij bood aan haar ridder te worden..
“Hahaha. Grappige kabouter.” De Trollenkoningin lachte zich dood, waardoor er wat slijm uit haar mond droop. Deze viel op de grond en nam langzaam een vorm aan. Het werd een andere trol, met dikke bepantsering en een.. potje. Hij pakte Jart op en stopte hem er in.
“Mooie versiering..” Zei Fran bedenkelijk. “Daar” Ze wees met haar dikke, groene puistenvinger naar een stinkzwam die ineens uit de Robinia was komen groeien.
Terwijl het Trollenhulpje naar de boom waggelde zakte Caressa ontzet ineen. Een zielig piepje kwam uit haar mond, en een moment later versteende ze. Haar rivier was opgedroogd.

Geschokt keek het jongetje naar zijn opa. “Opa.. Wat gebeurde er toen?” Het jongetje huilde bijna om een goed einde. “Chatu vluchtte naar de mensenwereld, waar hij een leven opbouwde. Caressa en Brion werden tot de dag van vandaag vereerd en Jart.. Tja. Die staat nog eeuwen ter versiering in Fran’s boom. De wereld werd vergeten door bijna iedereen, maar als mensen weer gaan geloven wordt de grens misschien weer dunner.” Zijn kleinzoon keek hem bedenkelijk aan. “Maar Opa, hoe weet jij dat allemaal?” de lippen van de man krulden zwakjes omhoog. “Dat zal ik je laten zien.” Hij stond moeizaam op en strompelde naar de oude boom in de tuin. Terwijl hij zijn hand op de stam legde en zijn ogen sloot, verschenen er langzaam twee kattenoren op zijn hoofd. Zijn nagels leken te groeien tot ze een puntig uiteinde kregen en zijn broek scheurde op de plek waar een lange, harige staart begon te groeien. De Opa opende zijn ogen, die ineens geel waren en lange pupillen hadden. “Nu ik ouder wordt kost het me steeds meer moeite mijn ware gedaante aan te nemen, maar ik krijg nog altijd berichten van mijn vrienden daar.” Afwezig staarde hij in het niets, de man had niet door dat zijn kleinzoon hem met open mond aan stond te gapen. “Opa, kan ik dat ook?!” Riep hij enthousiast uit terwijl hij op en neer sprong. Zijn opa leek weer terug te komen. De oren waren weer een stuk kleiner en ook zijn ogen waren weer zo goed als normaal. “We zouden kunnen kijken.. Maar ik kan je niks beloven.” Ongemakkelijk krabde hij in zijn nek. Het jongetje glimlachte breed en liep naar de stam, waar hij zijn hand op legde. “Het zou een voordeel zijn, want je wordt minder oud als Droomburger. Dan kan je nog meer verhalen horen.” Ongeduldig kneep het jongetje zijn ogen dicht. “Hoe doe je dat dan?” Zijn opa schudde vermoeid zijn hoofd. “Later jongen. Nu moet je eerst naar huis.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten